Meidagen

Bij een luchtaanval op een konvooi bij Oegstgeest sneuvelde de eilander Jan van den Brink op 10 mei 1940. Het konvooi was met bussen op weg naar Leiden. 24 mensen werden gedood, 30 gewond. (foto 10 mei 1940)

De slachtoffers werden aanvankelijk begraven in een massagraf bij de Postbruge, hier werd later ook een monument geplaatst. De slachtoffers zijn later herbegraven op de militaire erebegraafplaats Grebbeberg bij Rheden.

 

15 mei 1940, aankomst Duitse bezettingsmacht op Ameland. Op de foto zijn nog Nederlandse militairen te zien die in gesprek zijn met de Duitsers. Rechts vooraan op de foto Anne Olivier uit Nes.

Van de oorlogshandelingen na de inval van de Duitsers in ons land heeft men vermoedelijk op het eiland weinig gemerkt. De Nederlandse besettingsmacht van 60 man hoefde niet in actie te komen. De Duitsers trokken Groningen en Friesland binnen maar lieten net als de Canadezen bij de bevrijding in 1945 de eilanden met rust.

Opgetrokken werd naar de Afsluitdijk. We weten dat er gevochten werd bij de Wonsstelling en dat de Duitsers werden tegengehouden bij Kornwerderzand.

We weten niet precies wanneer de machtsovername heeft plaatsgevonden maar wel dat de Nederlandse militairen op 17 mei in Leeuwarden arriveerden en dus op dat moment al waren vervangen door de Duitse bezettingsmacht.

Van een terneergeslagen stemming onder de manschappen was geen sprake, aldus de Leeuwarder Courant.

Op Ameland gearriveerde Duitse militairen poseren voor de camera. Foto is gemaakt aan het einde van de Strandweg te Nes. Met strandpaviljoens Scheltema en Steinvoorte op de achtergrond.

Op Ameland gearriveerde Duitse militairen poseren  met 2 Nederlandse militairen. Helemaal links staat Hendrik Nienhuis. De foto is gemaakt aan het einde van de Strandweg te Nes met de strandpaviljoens Scheltema en Steinvoorte op de achtergrond.

In juni 1940 bezoeken de eerste vakantiegangers het eiland alweer. Het is op Ameland veiliger dan elders in ons land schrijft de Doopsgezinde predikant W. Banga in de Leeuwarder Courant. Hij heeft met zijn gezin een korte vakantie op het eiland doorgebracht en genoten van de bekende rustige sfeer en prachtige natuur. Het enige dat je hoort is zo af en toe ’s nachts een vliegtuig en hier en daar spoelen zeemijnen aan maar die worden op deskundige wijze onschadelijk gemaakt.


Strategische positie

Bij de inval van de Duitsers op 10 mei 1940 was er geen sprake van een strategische positie van de Waddeneilanden. De op Ameland aanwezige militairen hoefden dan ook niet in actie te komen. Nadat de Duitsers op het eiland waren gearriveerd werden de ca zestig op het eiland gelegerde militairen afgevoerd naar Leeuwarden en vandaar naar Groningen.

De eilanders zullen zich aanvankelijk niet druk hebben gemaakt over de strategische positie van de Waddeneilanden. Maar dat veranderde al snel.

Rond de jaarwisseling 1941-1942 gaf het Duitse opperbevel opdracht tot de bouw van lichte bunkers aan de kust. De bunkers, hoofdzakelijk woonschuilplaatsen en bergplaatsen, boden bescherming aan de Duitse kustbewaking. Maar al snel bleek dit onvoldoende te zijn. De luchtaanvallen van de Brits-Amerikaanse  luchtvloot werden steeds talrijker en omvangrijker. De Duitse stelling waren erg kwetsbaar en het gevaar voor een invasie groeide. In september 1942 werd opdracht gegeven de bezette kusten van de Noordkaap tot de Pyreneeën uit te bouwen tot een onneembare linie: de Atlantikwall.

Het zou geen ononderbroken linie worden daarvoor ontbrak tijd mankracht, tijd en middelen. De kleinste onderdelen waren eenvoudige weerstandskernen, zogenaamde “Widerstandsnester”. Licht, gemetselde woonschuilplaatsen en bergplaatsen beveiligd met prikkeldraad. Was de positie van groter strategisch belang (batterij, hoofdkwartier, havenmond e.d.) dan werd een “Stützpunkt”gebouwd. Een dergelijke stelling bezat zware bunkers met wanden van 2 tot 3,5 meter dik, artillerie en zware machinegeweren.

De bezetting was groter dan die van een weerstandskern. Waar mogelijk en nodig werden steunpunten en weerstandskernen samengevoegd tot een “Stützpunktgruppe”.

Op de belangrijkste plekken werd een versterkte steunpuntengroep gecreëerd: het “Verteidigungsbereich” . Later omgedoopt tot een “Festung”. Zo’n “Festung” moest vele maanden stand kunnen houden. Zo werd dus de gehele West-Europese kust opgedeeld in kleinere en grotere verdedigingseenheden.

Bij de start van de aanleg van de Atlantikwall was de Nederlandse kust tactisch in drie zones ingedeeld. De Küstenbefehlshaber in der Deutschen Bucht, met “Stützpunkten” op Borkum en bij Emden beheerde de Nederlandse Waddeneilanden Rottum, Schiermonnikoog en Ameland in militair opzicht.

Het gebied van de Wehrmachtsbefehlshaber in den Niederlanden bestreek de kust van Terschelling tot Schouwen Duivenland.

Duidelijk is dat de nadruk lag in het westen van ons land. De Helder, IJmuiden waren Verteidigungsbereiche, Katwijk-Noordwijk en Scheveningen Stützpunktgruppen. Verteidigungs-bereich Hoek van Holland beheerste de toegang tot de Nieuwe Waterweg terwijl nog Stützpunktgruppen waren gevestigd op Goeree en Schouwen Duivenland. De toegang tot Antwerpen werd in 1942 onder het beheer van het Duitse 15e leger geplaatst. Het Generalkommando Schelde kende een Verteidigungsbereich Vlissingen en twee Stutzpunkt-gruppen, namelijk Stp.Gr.Breskens en  Stp.Gr. Ostende.

In 1944/45 is de Duitse verdediging het meest compleet. In het Noorden en aan de Noordhollandse kust zijn flink meer Stützpunktgruppen ontstaan. Zo worden Delfzijl, Harlingen, Terschelling, Vlieland en Texel als zodanig aangewezen. De eilanden Ameland en Schiermonnikoog omvatten Duitse batterijen. Deze batterijen waren vast opgestelde kust- en luchtafweerbatterijen bestaande uit 4 x 10.5 cm Flak. Op alle Waddeneilanden was er sprake van één of meer Marineflakbatterijen.

De belangrijke radarposten “Tiger” en “Schlei” waren echter gevestigd op Terschelling en Schiermonnikoog. Op Ameland stond wel radarapparatuur maar voor zover is na te gaan speelde deze apparatuur geen belangrijk rol in de Luchtoorlog. De radar werd namelijk ingezet tegen de overvliegende formaties bommenwerpers die richting Duitsland koersten.
Via de radarposten werden de op de vliegbasis van Leeuwarden gestationeerde jachtvliegtuigen gedirigeerd naar formaties bommenwerpers en dan meestal naar vliegtuigen die al in de problemen waren geraakt. Maar al te vaak was een dergelijk toestel een gemakkelijke prooi voor de jager.  De verliezen waren groot, vooral de eerste jaren. Totaal verloren alleen al de Britten 9.000 bommenwerpers en 55.573 bemanningsleden.

Ook de verliezen bij Ameland waren hoog. De meeste vliegtuigen stortten op een onbekende locatie in zee. Bij het onderdeel Luchtoorlog wordt hier op ingegaan.

De Flakbatterij bij Hollum speelde in het geheel van deze luchtoorlog een tamelijk onbelangrijke rol. De batterij was actief wanneer vliegtuigen bereikbaar waren. Ook werden er aanvallen uitgevoerd op de op de eilanden gevestigde batterijen.

Op zee boven de eilanden bleef het vrij rustig. De scheepvaartroutes welke door de geallieerden werden gebruikt lagen veel noordelijker. Pas aan het einde van de oorlog werden in de omgeving van Ameland aanvallen op Duitse schepen uitgevoerd.

Via het Amelander Gat aan de westkant en het Pinkegat aan de oostkant is het niet mogelijk om direct een haven te bereiken. Het zeegat was daarom van aanmerkelijk minder belang dan bijvoorbeeld de zeegaten bij Texel, Terschelling en Vlieland evenals Schiermonnikoog. Hier liggen immers de havens van Den Helder, Harlingen en Delfzijl.

Zonder meer kan worden vastgesteld dat strategisch gezien het eiland Ameland een tamelijk onbelangrijke positie heeft ingenomen.