Middelen van bestaan

Nadat rond 1800 een einde is gekomen aan de walvisvaart en ook de positie van Holland als zeevarende natie ernstig is aangetast en door Engeland is overgenomen vervalt ook het eiland Ameland in een lange periode van afnemende welvaart.

De bestaande gemeenschap heeft bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog een uitgesproken agrarisch karakter. De aanleg van de Waddendijk, opheffing van het systeem van de Markegronden en ruilverkavelingen leiden tot modernisering van de veelal nog kleine boerenbedrijfjes. Is er geen werk te vinden in de landbouw dan trekt men naar zee. Daarnaast ontwikkelen zich vanaf het begin van de 20e eeuw ook ambachten en winkeliers tot een zelfstandig bedrijf. Voorheen waren dit steeds nevenactiviteiten geweest.

Uit een telling uit 1930 naar de hoofdberoepen van gezinshoofden op Ameland blijkt dat er daarvan 166 landbouwer (33% van de beroepsbevolking) zijn. Ambachtslieden, winkeliers en pensionhouders volgen met 78 personen (16 %) mede dankzij het toenemend toerisme. Nog slechts 41 gezinshoofden zijn zeeman en 8 zijn er actief als visser of schipper. Er zijn 33 als ambtenaar werkzaam terwijl er nog 48 een dienstverband hebben bij particulier of instelling. Bijna 25% (120 gezinshoofden) geven aan zonder beroep te zijn. Een deel daarvan zijn ouderen die inwonend zijn bij kinderen en dus wel werkzaam zullen zijn geweest in het bedrijf van zoon of schoonzoon.

Op Ameland zijn in 1933 in totaal 222 boerenbedrijven. Over het algemeen zijn ze klein van omvang. 153 bedrijven hebben minder dan 10 ha grond ter beschikking. Dan zijn er 54 bedrijven die tussen de 10 en 15 ha groot zijn en uiteindelijk zijn er slechts 18 bedrijven die meer dan 15 ha kunnen gebruiken voor hun bedrijfsvoering. Gemiddeld is het aantal koeien per bedrijf 6 stuks.

De melk wordt eerst nog geleverd aan een plaatselijk zuivelfabriekje maar uiteindelijk wordt alle melk geleverd aan de Stoomzuivelfabriek te Hollum en zijn de andere 3 fabriekjes in de loop der jaren verdwenen.

Het toerisme ontwikkelt zich vooral in Nes. In 1935 bezoeken toch al zo’n 30.000 toeristen het eiland. Staan in Hollum  ca 40 vakantiehuizen in de duinen in Nes staan er in 1935 al 321 huizen met 10 winkels, 4 hotels, 2 kerken en zelfs een bioscoop. Ook wordt er al druk gekampeerd want er worden dat jaar  191 vergunningen voor kamperen afgegeven.

Alle Waddeneilanden hebben door de eeuwen heen een belangrijk contingent geleverd aan de bemanning van de Nederlandse handels- en visserijvloot. In 1909 zijn er 203 zeelieden op Ameland. Een kwart daarvan is actief in de haringvisserij. De meesten voeren op Vlaardinger haringloggers. Ook voer een deel op Duitse loggers. Mijn grootvader, Jan Visser, ontving na de oorlog een klein pensioentje uit Duitsland. In 1930 zijn het er totaal 99 waarvan 62 uit het dorp Hollum komen. Oorzaak is zonder meer de toenemende werkgelegenheid in de landbouw.

Mijn vader, Jacob de Vries, werd geboren in 1904. Als jongetje van 12 verliet hij de school om bij een boer in Ballum te gaan werken. Hij was daar intern. Zondags liepen de jongetjes met elkaar naar Hollum en brachten daar de verdiende rijksdaalder (f 2,50) naar hun moeder. Hij vertelde altijd dat hij het erg goed had bij de boer (Dirk Ruijgh) in Ballum. Thuis kreeg hij immers niet veel te eten met een flink aantal kinderen en een vader die op zee zat. Met 16 jaar ging hij, zoals velen, naar zee. Bijna 20 jaar verdiende hij als zeeman het brood voor vrouw en kinderen. Vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog monstert hij af en brengt zo de oorlogsperiode door op het eiland. Na de oorlog vertrekt ons gezin naar Landsmeer, dichtbij bij Amsterdam. In 1956 keren wij echter al terug naar Ameland. Het was vooral mijn vader die zijn geliefde eiland heeft gemist.